Willem de Clercq naar zijn dagboek: 1811-1824, met een portret naar de teekening van Couwenberg (Google eBook)

Front Cover
H.D. Tjeenk Willink, 1888 - 394 pages
0 Reviews
  

What people are saying - Write a review

We haven't found any reviews in the usual places.

Related books

Selected pages

Other editions - View all

Common terms and phrases

Popular passages

Page 126 - Damals trat kein grässliches Gerippe Vor das Bett des Sterbenden. Ein KUSS Nahm das letzte Leben von der Lippe, Seine Fackel senkt
Page 229 - Want uit hem, en door hem, en tot hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in eeuwigheid.
Page 311 - Maar wanneer de zinloosheid van verwaten duisterlingen, door een helschen geest geleid, God-zelv' naar de kroon durft dingen, troonen en altaren schokt, 's werelds loop dreigt om te zetten, krijg verkondt aan orde en wetten, en op alles wat de menschheid eenmaal heilig achtte wrokt; Als een monsterlijke leer onder snood verdichte namen, 't menschdom nooden durft tot de eer zich Gods naam en wet te schamen; en, steeds verder voortgespoed, denkkracht en gevoel ontgeestlijkt, heel de menschlijkheid...
Page 306 - Oosten, eens het erfdeel van uw vaadren. U toch werd Isrels lier vertrouwd, Als gij den ramp uws stams aanschouwt, Maar nog tot Sions God 't geloovig oog durft heffen, Voor d' onderdaan van 't spoor gedwaald Het heilig regt der vorsten maalt, En godlijk' oorsprong in hun pligten leert beseffen.
Page 230 - Christusvereering nog beneden de eeredienst van het genie verlaagd en van de blijde boodschap des hemels: 'Ik doop u in den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes...
Page 311 - Ook gy voelt uw wezenlijke waarde! Wat is Dichtkunst? harmony tusschen hemelen en aarde! De adem Gods in onze borst brengt geen aandrift om te slopen, maar om banden aan te knoopen tusschen mensch en mensch en Engel, tusschen 't schepsel en zijn Vorst! Toonen we ons de dienaars Gods, om in 't oproer dezer dagen Welk een glorie, dierbre Vrind! als die Duivel van ontbinden, die heel 't aardrijk wil verslinden, slechts d' aan God getrouwen dichter vrij en onomstootlijk vindt!
Page 314 - Ja, als de golven van de zee, Voert ons de storm des boezems mee, Wij zwichten als het riet, gebeukt door noordenwinden. Gelukkig die dien stormwind tart, Bekend met d' afgrond van zijn hart. De bron van 't heil in God en in zich zelf kan vinden. Ja, menig zeegning lacht ons aan. Wij zien twee dierbren bij ons staan, Wij zien in daad en hoop, ons in ons kroost herleven, Wij weten dat ons God aanschouwt, Wij weten wat de hoop vertrouwt, Dat zelfs de zandwoestijn een waterbron kan geven. Zag niet het...
Page 315 - ... toekomst stormen voed, Vereend van hart en zang, den storm der tijden tegen. Stel gij uw eernaald in uw lied, Die 't nakroost nog met eerbied ziet, En huw aan Neerlands eik de morgenlandsche palmen; Uw zang doorzweve d'ouden tijd, En, aan der vadren glans gewijd, Doe hij Jesaïas moed of Josephs deugd weergalmen. Voor mij, hoe spoedig sterft mijn lied, Het leeft in eeuwge zangen niet, En zoekt in 't menschlijk hart zich slechts een weg te banen; 't Versterft als 't ongeziene kaf, Zoo valt het...
Page 311 - ... s werelds loop dreigt om te zetten, krijg verkondt aan orde en wetten, en op alles wat de menschheid eenmaal heilig achtte wrokt; Als een monsterlijke leer onder snood verdichte namen, 't menschdom nooden durft tot de eer zich Gods naam en wet te schamen; en, steeds verder voortgespoed, denkkracht en gevoel ontgeestlijkt, heel de menschlijkheid verbeestlijkt, en den laatsten vonk des hemels in haar borst verstikken doet! Dan, dan grijpe ik naar mijn luit, als de krijgsman naar zijn degen, daag...
Page 307 - Washington, ziedaar mijn liberalen. Ja, welke vorm ons heilig scheen, In 't heerlijkst doelwit zijn wij een; Ziet van der Alpen kruin twee beken nederschieten ; Dees stort in 't Middellandsche zout, Daar die de Noorderzee aanschouwt, Doch eens doet de Oceaan hun stroomnat samenvlieten. Zoo zijn het godsdienst, vriendschap, deugd, Waar beider ziel zich in verheugt, En schoon ge uw vlucht verheft met onnavolgbre krachten, Staar ik verrukt dien luister aan En waar met mijnen roem voldaan, Zoo 'k naar...

Bibliographic information